Terug naar hallucinaties

De mens tussen ervaring en houvast

Een fenomenologische synthese van psychoanalyse en Dhamma

Dit essay is bewust niet academisch geschreven om het toegankelijk te houden. Het is een filosofische denkoefening die met kritisch denken en conceptuele zorgvuldigheid probeert psychoanalyse en Dhamma in een fenomenologische taal samen te brengen.

Wat volgt is een poging om psychoanalyse en de Dhamma met elkaar in gesprek te brengen zonder hun verschillen uit te wissen. Fenomenologie vormt daarbij de gemeenschappelijke taal, omdat beide tradities vanuit die taal kunnen worden onderzocht als een onderzoek naar de menselijke ervaring en naar de wijze waarop die ervaring wordt beleefd en georganiseerd.

Het betoog volgt één beweging: van ervaring naar verhouding tot ervaring, van verhouding naar houvast, van houvast naar identificatie, van identificatie naar verstarring en van verstarring naar lijden. Vervolgens wordt de omgekeerde beweging onderzocht: hoe bewustwording van die verhouding opnieuw beweeglijkheid mogelijk maakt en hoe daarin vrijheid kan ontstaan.

Psychoanalyse en Dhamma belichten verschillende momenten binnen deze beweging. Waar de psychoanalyse vooral zichtbaar maakt hoe subjectiviteit psychisch en relationeel wordt gevormd, laat de Dhamma zien hoe het vastgrijpen aan die gevormde structuren lijden kan voortbrengen en hoe het ervaren opnieuw kan worden geopend.

1. Van ervaring naar verhouding tot ervaring

Fenomenologie: subject, eerstepersoonsbeleven, intentionaliteit, perspectiviteit, intersubjectiviteit
Psychoanalyse: subject, ego, psychische structuur
Dhamma: viññāṇa, nāma-rūpa, anattā

Het subject bestaat in het eerstepersoonsbeleven van wat zich voordoet: waarnemen, voelen, denken, verlangen, vrezen en herinneren. Ervaring verschijnt altijd vanuit een perspectief. Wanneer angst wordt ervaren, verschijnt die binnen een bepaald eerstepersoonsperspectief, vanuit een positie in de wereld.

De menselijke conditie bestaat er echter in dat er niet alleen ervaring is, maar dat binnen het ervaren ook een verhouding tot die ervaring kan ontstaan. We kunnen angst voelen en tegelijk merken dat er angst is. We kunnen verlangen en tegelijk dat verlangen opmerken. We kunnen een gedachte hebben zonder volledig met die gedachte samen te vallen. Binnen de voortdurende stroom van ervaring kan wat zich voordoet daardoor ook worden opgemerkt, onderzocht en richting geven aan handelen.

Juist daarin ontstaat een belangrijk deel van onze psychische werkelijkheid. Wat zich voordoet en hoe het beleefd wordt, zijn niet hetzelfde. Dezelfde angst kan worden onderzocht, vermeden, bestreden, verdragen of als vanzelfsprekende waarheid worden beleefd. De ervaring hoeft daarvoor niet te veranderen; wat verandert, is de wijze waarop zij binnen het eerstepersoonsbeleven verschijnt en wordt gedragen.

Dat vermogen is geen tekortkoming die moet worden opgeheven. Het maakt het menselijke bestaan juist mogelijk. Ook het contact met de ander veronderstelt een subjectieve positie. De ander kan voor mij alleen verschijnen binnen mijn eigen ervaringsperspectief. Tegelijk kan zichtbaar worden dat mijn ervaring van de ander niet noodzakelijk samenvalt met de ander zelf. Mijn perspectief is werkelijk als ervaring, maar daarmee nog niet de werkelijkheid in haar geheel.

Hier ontstaat het raakvlak tussen psychoanalyse en de Dhamma. Beide richten zich, vanuit zeer verschillende tradities, op de wijze waarop menselijke ervaring vorm krijgt. De psychoanalyse onderzoekt hoe dat psychisch en relationeel wordt gevormd. De Dhamma onderzoekt hoe ervaring verschijnt en hoe daarin voorwaarden voor lijden en bevrijding kunnen ontstaan.

Het subject is geen ding

Binnen de fenomenologie verwijst het subject niet in de eerste plaats naar een object of entiteit, maar naar het perspectief van waaruit de wereld wordt ervaren.

Dat wordt beschreven met het begrip intentionaliteit: bewustzijn is altijd bewustzijn van iets. We zien, denken, voelen of verlangen altijd iets. Dat is intentionaliteit. Datgene waarop het bewustzijn gericht is, verschijnt bovendien altijd vanuit een bepaald perspectief. Een blik kan bijvoorbeeld als warm, bedreigend of afwijzend verschijnen.

Precies daar wordt de psychoanalyse interessant. Dat iets op een bepaalde manier verschijnt, betekent nog niet dat zichtbaar is waarom het zo verschijnt. Iemand kan als afwijzend worden ervaren zonder dat meteen duidelijk is hoeveel van die ervaring gevormd wordt door eerdere relaties, verwachtingen, verlangens of angsten. De subjectieve positie van waaruit ervaring betekenis krijgt, is dus niet volledig transparant voor zichzelf.

Het ego kan vanuit dat perspectief worden begrepen als een psychische structuur die mee organiseert hoe wij onszelf, de ander en de wereld ervaren. Het geeft ervaring samenhang en continuïteit en maakt het mogelijk om binnen een veranderende ervaringswereld toch een zekere herkenbaarheid te behouden.

Een subject zonder vast zelf

Dat de psychoanalyse spreekt over het subject en het ego hoeft niet in strijd te zijn met anattā, de boeddhistische leer van niet-zelf. Het psychoanalytische subject kan worden begrepen als een gevormde en veranderlijke psychische organisatie.

De Dhamma beschrijft ervaring eveneens als een samenspel van geconditioneerde lichamelijke en mentale processen. Met viññāṇa wordt bewustzijn bedoeld dat ontstaat in relatie tot wat wordt ervaren. Er is bijvoorbeeld visueel bewustzijn bij zien, auditief bewustzijn bij horen, en op dezelfde manier bewustzijn bij de andere zintuigen en bij mentale verschijnselen.

Nāma-rūpa beschrijft de mentale en lichamelijke dimensies waarbinnen ervaring gestalte krijgt. Rūpa verwijst naar het lichamelijke of materiële aspect. Nāma verwijst niet simpelweg naar ‘de geest’, maar naar mentale functies die mee bepalen hoe iets wordt ervaren, zoals gevoel, waarneming, intentie, contact en aandacht. Het gaat dus niet om twee losstaande werelden, lichaam en geest, maar om processen die in het ervaren voortdurend met elkaar verweven zijn.

Anattā stelt vervolgens de vraag wat binnen die veranderlijke en geconditioneerde processen eigenlijk als ‘ik’ kan worden vastgehouden. Het ontkent daarmee niet dat er subjectiviteit of eerstepersoonsbeleven is, maar relativeert de vanzelfsprekendheid waarmee psychische en lichamelijke processen als een vaste identiteit worden beschouwd.

Psychoanalyse en Dhamma kunnen hier dus naast elkaar worden gelezen. De psychoanalyse onderzoekt hoe een subjectieve organisatie ontstaat en hoe zij het ervaren structureert. De Dhamma onderzoekt hoe die organisatie verschijnt wanneer zij als geconditioneerd en veranderlijk proces wordt bekeken.

De ander

Ervaring is niet alleen subjectief, maar ook intersubjectief. We leven in een wereld waarin ook anderen vanuit hun eigen eerstepersoonsperspectief ervaren. De ander verschijnt binnen mijn ervaringswereld, maar valt nooit volledig samen met mijn ervaring van die ander. Een blik, een stilte of een opmerking krijgt binnen mijn perspectief betekenis, terwijl dezelfde ontmoeting vanuit het perspectief van de ander anders kan worden ervaren. Mijn ervaring van de ander is dus werkelijk als ervaring, maar is niet hetzelfde als de ervaring van de ander.

Hier wordt duidelijk waarom het belangrijk is dat de eigen ervaring als perspectief herkenbaar kan blijven. Wanneer zij onmiddellijk met de werkelijkheid samenvalt, verdwijnt het onderscheid tussen ‘ik ervaar jou als afwijzend’ en ‘jij wijst mij af’. De ander als ander ontmoeten vraagt daarom niet dat het eigen perspectief wordt verlaten, wat onmogelijk is, maar dat het niet als de enige mogelijke werkelijkheid wordt beschouwd.

Daarin ligt een paradox. De ander verschijnt altijd binnen een subjectief perspectief, maar juist het volledig samenvallen met dat perspectief kan verhinderen dat de ander werkelijk als ander wordt ontmoet.

Ook hier ontstaat een raakvlak tussen psychoanalyse en de Dhamma. De psychoanalyse zal laten zien hoe onze geschiedenis en onze relaties mee bepalen hoe de ander aan ons verschijnt. De Dhamma zal zichtbaar maken hoe het vastgrijpen aan de eigen ervaring die verschijning verder kan verharden. De ander verdwijnt dan steeds meer achter onze ervaring van de ander.

2. Van verhouding tot ervaring naar houvast

3. Van houvast naar identificatie

4. Van identificatie naar verstarring

5. Van verstarring naar lijden

6. Van bewustwording naar beweeglijkheid en vrijheid

Met vriendelijke aandacht.

Sadhu. Sadhu. Sadhu.