Terug naar inzichten

Hoe bescherming ons vastzet — en hoe trauma kan helen

Zoals eerder besproken in het artikel ‘Trauma zit in het lichaam en gesprekstherapie werkt niet?’, kunnen we trauma begrijpen als een psychobiologische inprenting in het organisme. In dit artikel wil ik dat begrip verder verfijnen.

Hoe ervaringen onze bescherming vormen

Trauma kunnen we begrijpen vanuit de manier waarop het organisme zich organiseert als reactie op overweldigende ervaringen. Trauma gebruik ik hier in brede zin: als aangeleerde beschermingspatronen die onze vrijheid om te reageren kunnen beperken, ook wanneer de oorspronkelijke dreiging voorbij is.

Daarbij kunnen we een onderscheid maken tussen een specifieke angst rond een gebeurtenis en bredere beschermingspatronen die zich door herhaalde ervaringen ontwikkelen. Na een auto-ongeluk kunnen we bijvoorbeeld niet meer in een auto durven stappen: de angst kan die mogelijkheid volledig voor ons afsluiten. Maar bescherming kan zich ook verweven met hoe we relaties aangaan, conflicten hanteren of naar onszelf kijken. De aanleiding is dan niet altijd één herkenbare gebeurtenis. Deze patronen kunnen bovendien overlappen. In beide gevallen kan bescherming als noodzakelijk blijven voelen, terwijl de huidige situatie daar niet meer om vraagt.

Ik schrijf hier ‘organisme’ omdat onze bewuste intenties en onze reacties niet altijd samenvallen: we reageren op bepaalde situaties en zien nadien in dat we geen bewuste keuze hebben gemaakt. We willen anders reageren, maar merken hoe moeilijk het is om ons gedrag te veranderen.

Vanuit deze invalshoek kunnen we onderzoeken hoe trauma en spanning onze keuzevrijheid beperken. Het ‘window of tolerance’ is hier een belangrijk begrip: de bandbreedte waarbinnen we spanning kunnen ervaren en tegelijk bewust en flexibel kunnen blijven reageren. Wanneer ervaringen ons overweldigen, kunnen we in hypo- of hyperarousal terechtkomen: we raken sterk onder- of overgeactiveerd. Het gaat daarbij niet om voortdurend rustig zijn, maar om spanning kunnen dragen, reageren en opnieuw herstellen.

Wanneer onze reacties daaraan bijdragen, kunnen we ze functioneel noemen, ook als ze niet bewust verlopen. Maar het verdwijnen van de spanning betekent niet dat er niets achterblijft. Het organisme kan leren dat juist dit gedrag nodig was om de dreiging het hoofd te bieden. Wanneer de dreiging na onze reactie afneemt, kan die koppeling worden versterkt, ook wanneer het gedrag niet daadwerkelijk noodzakelijk was. In een vergelijkbare situatie reageren we dan opnieuw alsof onze veiligheid ervan afhangt.

Als kind is dat begrijpelijk: we zijn kwetsbaarder, afhankelijker van anderen en hebben minder mogelijkheden om een bedreigende situatie te veranderen of te verlaten. Gedrag dat binnen die omstandigheden bescherming biedt, kan zich zo stevig verankeren. Het kan problematisch worden wanneer het zich voortzet in ons volwassen leven, terwijl de omstandigheden veranderd zijn en we inmiddels meer mogelijkheden hebben. We reageren dan vanuit een aangeleerde noodzaak die niet meer aansluit bij de huidige situatie. Niet iedere dergelijke reactie is daarmee trauma in klinische zin, maar ze helpt wel begrijpen hoe vroegere ervaringen onze huidige keuzevrijheid kunnen beperken.

Hoe bescherming zichtbaar wordt in ons gedrag

Menselijk gedrag wordt mede gestuurd door de biologische reacties van ons zenuwstelsel, zeker als we uit onze window of tolerance komen. Als kader onderscheiden we hier vechten — proberen ons staande te houden in de situatie, sociaal of fysiek —, vluchten en bevriezen. Deze verdedigingstoestanden beïnvloeden welke reacties beschikbaar en waarschijnlijk worden. Onze eerdere ervaringen en de huidige context geven vervolgens mee vorm aan ons gedrag.

Wanneer we ons relationeel onveilig voelen in een romantische relatie en als kind hebben geleerd dat afstand nemen spanning vermindert, kunnen we bijvoorbeeld abrupt de relatie beëindigen. Hebben we geleerd dat pleasen veiligheid oplevert, dan kan dit een strategie worden om in de situatie te blijven en de reactie van de ander te beïnvloeden. Binnen dit functionele kader kunnen we dat als ‘sociaal vechten’ begrijpen. Ook nicotinegebruik kan binnen zo’n beschermingspatroon een functie krijgen: de situatie blijven verdragen of er tijdelijk afstand van nemen.

Fawning of pleasen wordt soms een vierde zenuwstelselreactie genoemd, zonder stevige onderbouwing vanuit biologisch perspectief. Dat label kan erkenning bieden, maar ook als een biologische beperking gaan voelen. Wanneer we pleasen begrijpen als een aangeleerde poging om ons staande te houden, ontstaan nieuwe mogelijkheden om die reactie te veranderen. Dit sluit uiteraard niet uit dat de ene mens sneller pleast en de ander eerder tot manipulatie overgaat. Biologische aanleg en leerervaringen maken bepaalde strategieën voor de ene mens gemakkelijker beschikbaar dan voor de andere.

Controle kan eveneens een beschermingsstrategie worden. Door onszelf, anderen of onze omgeving voortdurend te proberen sturen, proberen we onzekerheid en kwetsbaarheid te beperken. Vanuit een psychoanalytisch perspectief kan ook narcistische afweer zo worden begrepen: bijvoorbeeld wanneer we een ander kleineren, schuld buiten onszelf leggen of vasthouden aan een onaantastbaar zelfbeeld om pijnlijke gevoelens van schaamte of machteloosheid af te weren. Met narcistische afweer bedoel ik hier een beschermingsmechanisme, geen diagnose.

Wanneer bescherming een noodzaak wordt

Geen van deze gedragingen bewijst op zichzelf dat er sprake is van trauma. Binnen de brede betekenis die ik hier gebruik, gaat het om beschermingsmechanismen die zo ingesleten en dwingend raken dat ze onze keuzevrijheid beperken. We herhalen het gedrag niet alleen automatisch: we ervaren het als noodzakelijk om ons veilig te houden.

Juist daar wordt het psychoanalytisch interessant. We kunnen werkelijk blijven geloven dat deze bescherming nodig is: dat we moeten pleasen om niet verlaten te worden, controle moeten houden om niet machteloos te worden, of afstand moeten nemen om niet gekwetst te raken. Die overtuiging hoeft niet bewust uitgesproken te worden; ze kan als een vanzelfsprekend uitgangspunt onze waarneming en ons handelen organiseren.

Zo kan een reactie die ooit bescherming bood zich blijven herhalen, ook wanneer de huidige situatie andere mogelijkheden biedt. We ervaren het gedrag dan niet meer als een mogelijkheid, maar als een noodzaak.

Waarom we niet alles alleen kunnen dragen

Vooral bij beschermingspatronen die zich door herhaalde relationele ervaringen ontwikkelen, is gedragenheid belangrijk. Wanneer we onvoldoende steun ervaren, kunnen we steeds sterker aangewezen raken op pleasen, controle of terugtrekking om ons veilig te voelen. Een cultuur die omgaan met spanning en kwetsbaarheid vooral als een individuele verantwoordelijkheid beschouwt, dreigt die eenzaamheid te versterken. Voorkomen en herstellen vragen daarom ook om relaties waarin we niet alles alleen hoeven te dragen.

In verschillende culturele tradities krijgt herstel een plaats binnen de gemeenschap. Bij de Ju/’hoansi in zuidelijk Afrika brengen genezingsdansen mensen samen rond zang, ritme, beweging en zorg. Antropologisch onderzoek beschrijft hoe deze bijeenkomsten onderlinge verbondenheid versterken en sociale spanningen helpen verminderen.

Het traditionele Hawaiiaanse ho‘oponopono biedt een ander voorbeeld: betrokkenen bespreken conflicten onder begeleiding van een gerespecteerde oudere, met ruimte voor erkenning van verantwoordelijkheid, herstel en verzoening. Bij de Māori biedt de tangihanga, het gezamenlijke afscheidsritueel rond een overlijden, ruimte om te huilen, te spreken en te zingen, terwijl de ruimere familie praktische verantwoordelijkheden overneemt. Verdriet hoeft zo niet alleen gedragen te worden.

Deze praktijken bewijzen niet dat rituelen op zichzelf ingesleten traumapatronen oplossen. Ze maken wel zichtbaar hoe gemeenschappen ruimte kunnen organiseren voor steun, emotionele expressie en relationeel herstel. Vandaag neemt ook de therapeutische ruimte daarin een belangrijke plaats in. Binnen een betrouwbare therapeutische relatie kunnen ervaringen die vroeger alleen gedragen moesten worden, samen worden onderzocht en doorleefd.

Die relationele gedragenheid kan de voorwaarden scheppen waarbinnen ingesleten bescherming minder noodzakelijk wordt. Maar hoe krijgt die verandering binnen het individu vorm?

Hoe veiligheid opnieuw keuzevrijheid mogelijk maakt

Wanneer we binnen een veilige relatie iets anders ervaren dan we verwachten, kan de noodzaak van onze bescherming beginnen verschuiven. We tonen bijvoorbeeld een behoefte en worden niet afgewezen. We spreken een grens uit en de ander blijft aanwezig. Het organisme krijgt daarmee niet alleen een nieuwe uitleg, maar een ervaring die de oude verwachting tegenspreekt. Dat hoeft niet onmiddellijk overtuigend te voelen. Door herhaalde ervaringen kan geleidelijk het vertrouwen groeien dat dezelfde bescherming niet altijd meer nodig is.

Vanuit een psychoanalytisch perspectief komt daarmee ruimte voor wat de afweer op afstand moest houden: schaamte, verdriet, boosheid, verlangen of afhankelijkheid. We hoeven het beschermingsmechanisme niet eerst te verwijderen. We onderzoeken wat het probeert te voorkomen en ontdekken dat die ervaring misschien gedragen kan worden. De overtuiging ‘zonder dit gedrag ben ik niet veilig’ kan zo haar vanzelfsprekendheid verliezen.

Het boeddhistische perspectief voegt daar aandacht voor de onmiddellijke ervaring aan toe. Angst verschijnt, samen met gedachten en de impuls om iets te doen. We kunnen leren die beweging op te merken zonder haar onmiddellijk te volgen of te onderdrukken. Ook de gedachte dat we moeten pleasen, controleren of vertrekken, wordt dan iets wat we kunnen onderzoeken in plaats van een opdracht waaraan we moeten gehoorzamen.

Meer veiligheid kunnen ervaren vormt daarin een belangrijke basis voor heling. Die veiligheid kan groeien in relaties, maar ook binnen het individu: door cognitief inzicht dat een bedreigende interpretatie verandert, of door lichamelijk te ervaren dat spanning gedragen kan worden zonder onmiddellijk beschermingsgedrag in te zetten. Inzicht krijgt zo betekenis wanneer het ook voelbaar en geloofwaardig wordt.

Denken en voelen veranderen hierin samen. Een andere ervaring kan een overtuiging minder dwingend maken, terwijl een ander begrip van de situatie ruimte kan geven om iets te voelen wat eerder ondraaglijk leek. Heling betekent dan dat het verleden onze reactie minder volledig bepaalt. We kunnen nog angst of een beschermingsimpuls ervaren, terwijl er meer mogelijkheden ontstaan om te antwoorden op wat er vandaag werkelijk gebeurt.