Terug naar Poppsychology genuanceerd

De mythe van onafhankelijkheid

Niemand wordt alleen onafhankelijk

Een andere misvatting ontstaat geregeld in co-dependente relaties: verbindingen waarin ons geluk steeds meer begint af te hangen van de ander. Wat hier vaak misloopt, is dat mensen die in hun kindertijd onvoldoende onafhankelijkheid hebben kunnen ontwikkelen, die later in relaties alsnog proberen te vinden. De paradox is dat we dan denken dat we afhankelijk zijn van de ander, terwijl ons organisme in werkelijkheid vaak omstandigheden opzoekt waarin onafgemaakte ontwikkelingsbewegingen alsnog kunnen worden voltooid.

Een kind wordt namelijk niet autonoom door zo snel mogelijk alles alleen te leren doen. Autonomie ontstaat juist doordat een kind voldoende gedragen, gezien en ondersteund wordt door zijn omgeving. Wanneer een kind spanning ervaart, zoekt het eerst regulatie buiten zichzelf. Het wordt vastgehouden, gerustgesteld, begrepen en geholpen om ervaringen te verdragen die het zelf nog niet kan dragen. Pas binnen die relationele bedding ontstaat geleidelijk het vermogen om zichzelf te reguleren. Wat eerst samen gebeurt, wordt later steeds meer een innerlijke capaciteit.

Daarom is onafhankelijkheid geen toestand die ontstaat door afhankelijkheid achter ons te laten. Ze groeit juist uit een voldoende veilige afhankelijkheid. Een kind dat erop kan vertrouwen dat iemand beschikbaar blijft, durft verder weg te bewegen. Het kan exploreren omdat terugkeer mogelijk is. Het kan eigen keuzes beginnen maken omdat verbondenheid niet voortdurend op het spel staat. De aanwezigheid van de ander beperkt de autonomie dan niet, maar vormt precies de bodem waarop autonomie kan ontstaan.

Wanneer die bodem onvoldoende aanwezig was, kan een mens later sterk zoeken naar relaties waarin alsnog iets van die veiligheid beschikbaar komt. Dat kan zich uiten in een grote nood aan bevestiging, nabijheid, geruststelling of afstemming. We noemen dit dan snel afhankelijkheid en proberen die afhankelijkheid te corrigeren door iemand aan te leren zichzelf volledig te dragen. Maar daarmee dreigen we opnieuw hetzelfde te vragen wat vroeger al te vroeg gevraagd werd: zelfstandig zijn zonder eerst voldoende gedragen te zijn geweest.

Het interessante is dat een gezonde relatie net omstandigheden kan aanbieden waarin oude ontwikkelingsbewegingen alsnog verder kunnen gaan. Niet omdat een partner een ouder moet worden, en ook niet omdat een ander verantwoordelijk is voor ons welzijn, maar omdat mensen zich relationeel blijven ontwikkelen. Een betrouwbare ander kan mee de context vormen waarin iemand grenzen leert voelen, frustratie beter kan verdragen, eigen keuzes durft maken of ontdekt dat nabijheid niet voortdurend verzekerd hoeft te worden. Wat aanvankelijk via de relatie wordt ervaren, kan stilaan meer intern gedragen worden.

Dat is ook waarom de populaire boodschap dat je eerst volledig gelukkig moet zijn met jezelf voor je een gezonde relatie kan aangaan te eenvoudig is. Mensen worden niet eerst volledig autonome individuen om daarna pas verbinding aan te gaan. We ontwikkelen ons juist binnen verbinding. Ook als volwassene blijft een deel van onze regulatie relationeel. We kalmeren door een stem, een aanraking, herkenning of aanwezigheid. Dat maakt ons niet zwak of pathologisch. De vraag is niet of we afhankelijk zijn van anderen, maar hoe die afhankelijkheid georganiseerd is en of ze onze eigen bewegingsruimte groter of kleiner maakt.

Co-dependentie ontstaat dan niet simpelweg omdat iemand te veel behoefte heeft aan een ander, maar omdat de relatie functies moet blijven vervullen die nauwelijks intern beschikbaar zijn. De ander wordt noodzakelijk om ons gerust te stellen, waarde te geven, richting te bieden of bestaanszekerheid te bevestigen. Gezonde verbondenheid werkt anders. Daar kan de ander ons dragen zonder ons vast te houden. De relatie ondersteunt onze autonomie in plaats van haar te vervangen.

Misschien ligt volwassen onafhankelijkheid daarom niet in niemand meer nodig hebben, maar in het vermogen om ons te laten dragen zonder onszelf kwijt te raken. We kunnen steunen op een ander en tegelijk blijven ervaren dat we zelf bestaan, kiezen en bewegen. De paradox is dat juist relationeel gedragen worden ons op termijn minder afhankelijk kan maken van de voortdurende aanwezigheid van diezelfde ander.

Ware onafhankelijkheid groeit dus niet buiten afhankelijkheid, maar eruit.