Terug naar Poppsychology genuanceerd

Ik moet loslaten

Hoofdstuk 6

Een veelgehoorde uitspraak over emotioneel lijden is dat we bepaalde dingen moeten loslaten om verder te kunnen. We moeten een verlies loslaten, een oude relatie, het verleden of de verwachtingen die we van iemand hadden. Alsof wat ons pijn doet iets is dat we blijven vasthouden, en verdergaan begint bij het openen van onze hand.

Die beeldspraak klinkt vanzelfsprekend, maar verdient wat nuance. Wat houden we precies vast wanneer we iemand missen die overleden is? Wat moeten we loslaten wanneer een relatie eindigt, wanneer het contact met een kind verbroken raakt, of wanneer iets wat ons is aangedaan blijft doorwerken?

Iets loslaten impliceert immers dat er een vasthouden is. Maar het feit dat iets blijft terugkomen, betekent niet automatisch dat we het vasthouden. Een herinnering verschijnt, gemis wordt voelbaar, ons lichaam reageert. Dat gebeurt vaak voordat we er bewust iets mee doen. Het grijpen kan daarna ontstaan: wanneer we proberen terug te krijgen wat er was, eisen dat de pijn verdwijnt, of blijven zoeken naar een verklaring die alles moet oplossen. Ook iets koste wat het kost niet willen voelen, kan ons ermee bezig houden.

We houden die gebeurtenissen dus niet vast zoals we een voorwerp vasthouden. We ervaren verdriet, gemis, boosheid of verlangen. Vervolgens grijpen we naar die ervaring: we willen terug wat er was, zoeken een verklaring die alles oplost, of eisen dat het gevoel verdwijnt. Dat grijpen gebeurt vaak zonder dat we het merken. Pas daarna ontstaat de opdracht om los te laten wat we eerst zijn gaan vastgrijpen. Misschien kunnen we daarom eerder kijken: op welk moment verandert het ervaren van pijn in een poging om die ervaring vast te houden, te herstellen of weg te krijgen?

Stel dat een relatie voorbij is, terwijl je nog verlangt naar wat er was. Die verbondenheid heeft sporen nagelaten: in je gewoontes, je verwachtingen en hoe je lichamelijk en emotioneel reageert. Je verwacht nog een bericht, denkt bij iets kleins aan de ander, voelt de afwezigheid op momenten die vroeger vanzelfsprekend waren.

Naast die pijn ontstaat ook een verhouding tot de ervaring. Je leest oude gesprekken opnieuw, probeert te begrijpen waar het anders had kunnen lopen, of verwijt jezelf dat je nog steeds verdrietig bent. Misschien voelt minder missen zelfs als verraad aan wat jullie hadden.

Wat kan veranderen, is niet noodzakelijk het gemis zelf, maar hoe je ermee omgaat. Je kunt iemand missen zonder ieder moment van gemis te moeten volgen, verklaren of wegwerken. De herinnering mag betekenis houden, zonder dat het verleden eerst hersteld moet worden om vandaag te kunnen leven.

Misschien begint verdergaan dan niet bij loslaten, maar bij iets minder grijpen naar wat zich aandient. Door verdriet of gemis de ruimte te geven om te bewegen en te veranderen, in je lichaam, je gedachten en je gevoelens. Loslaten wordt een extra opdracht wanneer we eerst proberen een ervaring vast te houden of weg te duwen. Naast de pijn zelf dragen we dan ook de vermoeidheid van die strijd.

Telkens wanneer we iets minder grijpen en bij het verdriet of gemis zelf kunnen blijven, laten we misschien al een klein beetje los. Niet wie of wat we missen, maar de strijd met het feit dat het er niet meer is. Op die manier kunnen we een verlies ook blijven eren en hoeft het niet meer losgelaten te worden.