Een hardnekkig idee dat veel aandacht krijgt binnen de Instagram-poppsychologie, is dat wij onszelf voortdurend zouden moeten reguleren. Tegelijk verschijnen er tegenwoordig ook af en toe berichten die dit beeld nuanceren. Bij spanning, verdriet, boosheid of onrust klinkt nog vaak de boodschap dat we eerst “terug in regulatie” moeten komen. Alsof emotionele gezondheid betekent dat we onszelf telkens opnieuw naar een rustige en beheerste toestand moeten brengen.
Het vreemde aan die uitspraak is dat een levend organisme zichzelf al voortdurend reguleert. In de biologie verwijst regulatie onder meer naar homeostase: het vermogen van een organisme om zijn interne omstandigheden binnen werkbare grenzen te houden. Lichaamstemperatuur, bloedsuiker, zuurtegraad, zuurstofgehalte en vochtbalans worden voortdurend opgevolgd en bijgestuurd. Dat gebeurt grotendeels automatisch, via processen waarbij onder andere het zenuwstelsel, het hormonale systeem, het immuunsysteem en de organen samenwerken.
Homeostase betekent daarbij niet dat het lichaam steeds naar volledige rust terugkeert. Het gaat om een dynamisch evenwicht. Wanneer je sport, stijgen je hartslag, ademhaling en lichaamstemperatuur omdat de situatie daarom vraagt. Na de inspanning verschuiven die waarden opnieuw. Bij ziekte wordt het immuunsysteem actief en kan koorts tijdelijk een functionele reactie zijn. Gezonde regulatie bestaat dus niet uit het vermijden van activatie, maar uit het vermogen om passend te reageren, te herstellen en opnieuw te schakelen wanneer de omstandigheden veranderen.
Ook herstel verloopt grotendeels zonder dat we het bewust hoeven aan te sturen. Een wond begint te genezen, het immuunsysteem reageert op ziekte en belast spierweefsel herstelt zich na inspanning. We kunnen die processen ondersteunen met slaap, voeding, eiwitten, rust, beweging of geneesmiddelen. Maar we voeren het herstel zelf niet stap voor stap uit. Het organisme doet dat.
Zelfregulatie beperkt zich niet tot lichaamstemperatuur, bloedsuiker of andere strikt biologische waarden. Ook spanning, onrust en emoties zijn dynamische processen. Angst kan opkomen, toenemen en opnieuw afnemen. Boosheid kan het organisme mobiliseren en daarna aan kracht verliezen. Verdriet verandert terwijl het wordt gevoeld, gedeeld of opgenomen in een bredere ervaring. Dat verloop hoeft niet telkens bewust te worden aangestuurd. Ook op psychologisch vlak beschikt het organisme dus over een spontaan vermogen om ervaringen te verwerken en opnieuw samenhang te vinden.
Bewuste regulatie is iets anders. Daarmee proberen we het natuurlijke verloop actief te beïnvloeden, bijvoorbeeld via ademhaling, beweging, aandacht, gesprek, structuur of medicatie. Zulke ondersteuning kan bijzonder helpend en soms noodzakelijk zijn. Het probleem ontstaat wanneer we vergeten dat emoties en lichamelijke activatie ook uit zichzelf kunnen veranderen. Dan wordt iedere spanning een toestand waarop we onmiddellijk moeten ingrijpen en krijgt het organisme steeds minder gelegenheid om te ervaren dat onrust, angst of verdriet ook gedragen kunnen worden en vanzelf opnieuw kunnen verschuiven.
Het probleem ontstaat niet wanneer we regulatie ondersteunen, maar wanneer ondersteunen verandert in controleren. Dan wordt iedere vorm van spanning iets wat onmiddellijk moet verdwijnen. Onrust wordt een teken dat we nog niet gereguleerd zijn, boosheid een toestand waaruit we moeten komen en verdriet iets wat eerst verwerkt moet worden voordat we verder mogen. Regulatie wordt zo ongemerkt een nieuwe opdracht: ik moet kalm worden, ik moet mijn zenuwstelsel tot rust brengen, ik moet mezelf terug binnen mijn zogenaamde veilige zone krijgen.
Daarmee dreigen we regulatie te verwarren met kalmte. Een gereguleerd organisme is niet noodzakelijk een rustig organisme. Het kan zich inspannen, boos worden, huilen, zich verdedigen, opgewonden raken of tijdelijk uit evenwicht zijn. Gezondheid betekent niet dat zulke toestanden verdwijnen, maar dat het systeem er niet volledig in vastloopt. Het gaat om voldoende beweeglijkheid om geactiveerd te raken wanneer dat nodig is, die activatie te kunnen dragen en nadien opnieuw te herstellen.
Dat maakt het actief najagen van rust paradoxaal. Zodra rust een opdracht wordt, ontstaat er ook een voortdurend controlesysteem dat nagaat of we al rustig genoeg zijn. Hoe voelt mijn lichaam? Is mijn ademhaling al trager? Ben ik nog gespannen? Doe ik de oefening wel goed? De aandacht blijft daardoor gericht op het verschil tussen de huidige ervaring en de toestand die bereikt moet worden. Rust wordt een prestatie, en het uitblijven ervan een mislukking.
Dat betekent niet dat ontregeling niet bestaat of dat mensen zichzelf altijd maar aan hun lot moeten overlaten. Een systeem kan door langdurige stress, trauma, slaaptekort, ziekte, middelengebruik of relationele onveiligheid zo belast raken dat herstel moeilijker wordt. Co-regulatie, therapie, structuur, medicatie of lichaamsgerichte ondersteuning kunnen dan noodzakelijk zijn. Maar ook daar hoeft het doel niet te zijn om voortdurend rustig te blijven. Ondersteuning kan het organisme helpen opnieuw meer draagkracht en bewegingsruimte te ontwikkelen.
Misschien hoeven we onszelf dus niet voortdurend te reguleren. Misschien moeten we vooral leren herkennen wanneer ondersteuning zinvol is en wanneer onze poging tot regulatie zelf een vorm van overcontrole wordt. De vraag is dan niet: “Hoe krijg ik mezelf zo snel mogelijk terug rustig?” Een bruikbaardere vraag is: “Wat heeft mijn organisme nodig om deze ervaring te kunnen dragen en opnieuw te kunnen bewegen?”
Zelfregulatie betekent niet dat we steeds de juiste toestand produceren. Het betekent dat we kunnen reageren én herstellen, spanning kunnen ervaren zonder haar onmiddellijk te moeten verwijderen en rust kunnen toelaten zonder haar af te dwingen.