Een ander veelvoorkomend probleem is popdiagnostiek: psychologische begrippen en diagnoses vinden hun weg naar het dagelijkse taalgebruik en worden gebruikt om hele personen te verklaren. “Die persoon is een narcist”, “mijn ex is een gaslighter”, “zij is borderline”, “hij is een psychopaat”, “eens verslaafd, altijd verslaafd” en “eens een bedrieger, altijd een bedrieger” klinken als verklaringen, maar zetten iemand vooral vast in één categorie. Gedrag wordt niet langer beschreven als iets wat iemand doet, maar als bewijs van wie die persoon is.
Dit verschijnsel steunt gedeeltelijk op hetzelfde menselijke mechanisme dat ook bij xenofobie en racisme meespeelt: we brengen mensen onder in een categorie en schrijven hun vervolgens de eigenschappen toe die volgens ons bij die categorie horen. Daarmee wil ik popdiagnostiek niet gelijkstellen aan racisme of hun gevolgen met elkaar vergelijken. Het gaat erom dat enig begrip van dit onderliggende hokjesdenken ons kan helpen genuanceerder naar mensen en hun gedrag te kijken.
Dit artikel onderzoekt hoe uitspraken als “die mens is toxisch” zo gemakkelijk ingang hebben gevonden. Zulke taal kan helpen om schadelijk gedrag te herkennen en ernstig te nemen, maar ze kan ook de indruk wekken dat we met één woord een volledige persoon hebben begrepen. Iemand kan manipuleren, liegen, controleren of grenzen overschrijden. De vraag is alleen of we het gedrag willen benoemen, of de hele mens tot dat gedrag willen herleiden.
Attributiefouten
Om de werkelijkheid begrijpelijk te maken, zoeken mensen voortdurend naar oorzaken. Dat is geen fout, maar een fundamenteel onderdeel van hoe onze hersenen en ons organisme werken. Door snel verbanden te leggen en gebeurtenissen te verklaren, hoeven we niet iedere situatie telkens volledig opnieuw te onderzoeken. Dat stelt ons in staat efficiënter te leren, voorspellingen te maken en ons gedrag aan te passen. We proberen zo te begrijpen waarom iemand zich op een bepaalde manier gedraagt, waarom relaties mislukken, waarom iemand verslaafd raakt, waarom ons iets overkomt en waarom sommige mensen succes hebben of juist vastlopen. De oorzaken die we aan zulke gebeurtenissen en ervaringen toeschrijven, noemen we attributies.
Attributies zijn geen objectieve vaststellingen. We beschikken zelden over alle informatie en vullen ontbrekende delen aan vanuit onze verwachtingen, eerdere ervaringen en overtuigingen. Een attributiefout ontstaat wanneer we bepaalde oorzaken systematisch overschatten en andere onderschatten. Daardoor kan een verklaring heel vanzelfsprekend aanvoelen, terwijl ze slechts één mogelijke interpretatie van de werkelijkheid is.
Een bekend voorbeeld is de fundamentele attributiefout. Daarbij schrijven we het gedrag van anderen te snel toe aan hun karakter en onderschatten we de invloed van omstandigheden. Iemand reageert niet afstandelijk omdat hij bang, uitgeput of overweldigd is, maar omdat hij “een koud persoon” is. Iemand liegt niet vanuit schaamte of angst voor afwijzing, maar omdat hij “een narcist” is. De verklaring verschuift van wat iemand in een bepaalde situatie doet naar wie die persoon volgens ons wezenlijk is.
Daarbij speelt ook de actor-observerbias een rol. Ons eigen gedrag begrijpen we meestal als dynamisch en afhankelijk van omstandigheden. Wanneer wij kortaf reageren, weten we dat we slecht hebben geslapen, onder druk staan of geraakt werden door wat iemand zei. Wanneer een ander hetzelfde doet, zien we vooral zijn gedrag. “Ik reageerde zo omdat ik een moeilijke dag had; hij reageert zo omdat hij toxisch is.” We gunnen onszelf een voorgeschiedenis, maar maken van de reactie van de ander een karaktereigenschap.
Zodra iemand een label heeft gekregen, treedt gemakkelijk de confirmatiebias op: we merken vooral gedrag op dat het label bevestigt en geven minder aandacht aan wat er niet bij past. Een egoïstische reactie wordt bewijs van narcisme, terwijl een zorgzame reactie als manipulatie kan worden geïnterpreteerd. Het label wordt daardoor bijna onmogelijk te weerleggen: alles wat de persoon doet, kan er achteraf in worden ingepast. We onderzoeken niet langer wat er gebeurt, maar gebruiken iedere nieuwe gebeurtenis om te bevestigen wat we al dachten te weten.
Dit betekent niet dat schadelijk gedrag uitsluitend door omstandigheden wordt veroorzaakt of dat persoonlijkheid geen rol speelt. Wanneer we herhaaldelijk hetzelfde schadelijke gedrag ervaren, is het logisch dat we patronen leren herkennen en onszelf tegen herhaling proberen te beschermen. Een uitspraak als “mijn ex is een narcist” kan dan helpen om een langdurige ervaring van manipulatie, controle of emotionele onveiligheid te benoemen en af te sluiten. Of het label klinisch volledig klopt, bepaalt niet of onze ervaring werkelijk of waardevol is. We hebben geen zekere diagnose nodig om schadelijk gedrag ernstig te nemen, grenzen te stellen en afstand te nemen. Het probleem ontstaat wanneer het label niet langer onze ervaring samenvat, maar wordt gebruikt als een volledige en onbetwistbare verklaring van de ander.
Diagnostiek
Labels zoals ADHD, verslaving, borderline en narcistische persoonlijkheidsstoornis zijn kaders waarmee we een deel van de werkelijkheid proberen te ordenen. Binnen de psychiatrie worden diagnoses onder meer gebruikt om herkenbare clusters van klachten samen te brengen, informatie over te dragen en mogelijke behandelingen te kiezen. Ze zijn niet ontworpen om de volledige persoon te verklaren. Bepaald gedrag kan samenhangen met een diagnose, maar er ook volledig los van staan. Iemand met ADHD kan een afspraak vergeten, maar niet iedere vergeten afspraak wordt door ADHD veroorzaakt. Iemand met een verslavingsprobleem kan liegen om zijn gebruik te verbergen, maar niet iedere leugen komt voort uit de verslaving.
De uitspraak “hij liegt, dus hij is een narcist” maakt van één gedraging onmiddellijk een diagnose. Ook de omgekeerde uitspraak — “hij is een narcist, dus hij liegt” — is problematisch, omdat het label dan als verklaring voor ieder gedrag wordt gebruikt. Binnen de hedendaagse psychiatrie heeft opnieuw een meer fenomenologische benadering ingang gevonden. Die vertrekt niet uitsluitend vanuit het label, maar vanuit wat iemand werkelijk ervaart. Een psychiater kan vaststellen dat iemand verschillende kenmerken van een psychose vertoont, maar onderzoekt vervolgens nog altijd wat die persoon waarneemt, welke betekenis de ervaring heeft, wanneer ze optreedt en hoe ze het dagelijkse functioneren beïnvloedt. Toch staan we nog ver van een psychiatrie waarin de individuele ervaring werkelijk altijd voorrang krijgt op diagnostische categorieën en behandelprotocollen. Het label kan bepaalde mogelijkheden zichtbaar maken, maar daarna begint het begrijpen pas.
Mensen kunnen bovendien dubbele gevoelens ervaren tegenover een diagnose. Sommigen herkennen zich er volledig in en beginnen bijna iedere ervaring vanuit het label te verklaren. Anderen wijzen de diagnose juist volledig af omdat ze haar niet met hun zelfbeeld kunnen verzoenen. Diagnoses lijken daardoor soms als excuus te worden gebruikt, terwijl andere mensen er net niets mee te maken willen hebben. In beide gevallen dreigt het label verder onderzoek af te sluiten: ofwel verklaart het alles, ofwel mag het helemaal niets verklaren.
Wanneer mensen iedere moeilijkheid aan hun diagnose toeschrijven, kan erkenning gemakkelijk omslaan in berusting: “Ik heb ADHD, dus ik moet hiermee leren leven.” Veel psychiatrische diagnoses kunnen daardoor als een levensvonnis gaan aanvoelen. Dat ligt niet alleen aan het label zelf, maar ook aan de vereenzelviging ermee. Een diagnose kan helpen om terugkerende patronen te herkennen en passende ondersteuning te vinden, maar ze bepaalt niet wat iemand nog kan leren, veranderen of ontwikkelen. Het verschil tussen “ik heb ADHD” en “ik bén ADHD” lijkt klein, maar bepaalt mee hoeveel ruimte er voor beweging overblijft.
Binnen groepen zoals de Anonieme Alcoholisten keert de uitspraak “ik ben verslaafd” vaak terug. Op het eerste gezicht lijkt dat op de popdiagnostiek die ik hier bespreek: de persoon lijkt zich volledig met een label te vereenzelvigen. Toch wordt er iets anders mee bedoeld. De uitspraak dient als erkenning van een terugkerend patroon en als herinnering dat die kwetsbaarheid niet zomaar verdwijnt wanneer iemand stopt met gebruiken. Het label maakt de persoon niet kleiner, maar helpt ontkenning te doorbreken en verantwoordelijkheid te blijven nemen.
De verslaving is daarbij meer dan het gebruik van een bepaald middel. Mensen kunnen een onderliggende dynamiek met zich meedragen waarin middelen een manier werden om spanning, leegte, schaamte, angst of een gebrek aan verbinding te reguleren. Stoppen met gebruiken maakt die dynamiek niet automatisch ongedaan. “Ik ben verslaafd” betekent binnen die context dus niet noodzakelijk: dit is alles wat ik ben en ik kan nooit veranderen. Het betekent eerder: ik herken dit patroon in mezelf en blijf er verantwoordelijkheid voor nemen. Hetzelfde label dat in de ene context iemand kan vastzetten, kan in een andere context juist beweging mogelijk maken.
Die context wordt niet alleen door de omgeving bepaald; ook innerlijk geven we zelf betekenis aan een label. Door ruimte te laten voor nuance, niet in absoluut denken te vervallen en rekening te houden met mogelijke attributiefouten, kan een diagnose een bruikbaar kader blijven zonder een identiteit te worden. Het label kan dan helpen om patronen te herkennen en verantwoordelijkheid te nemen, terwijl er tegelijk ruimte blijft voor omstandigheden, verschillen en verandering. Een label zegt enkel iets over de patronen die binnen een bepaald kader herkenbaar zijn. Het zegt nooit wie iemand volledig is, waarom die persoon in een concrete situatie handelt zoals die handelt, of wat er nog kan veranderen.