“Trauma zit opgeslagen in je fascia en spieren.” Het is een uitspraak die tegenwoordig overal op Instagram opduikt en vaak wordt verbonden aan boeken als The Body Keeps the Score van Bessel van der Kolk. Alleen getuigt die formulering eerder van een oppervlakkige lezing en popularisering van dergelijke werken dan van wat we er werkelijk uit kunnen besluiten. Ze herleidt een complex psychobiologisch proces tot een soort plaatselijke opslag in lichamelijk weefsel. Van der Kolk beschrijft trauma ruimer: als een psychobiologische inprenting die zichtbaar kan worden in de manier waarop het hele organisme waarneemt, denkt, voelt, herinnert en lichamelijk reageert.
Psychobiologisch betekent hier niet dat trauma in het lichaam zit in plaats van in het hoofd of het denken. Het betekent juist dat die scheiding tekortschiet. Gedachten, emoties, herinneringen, stressreacties, lichamelijke gewaarwordingen en beweging maken deel uit van hetzelfde organisme. Spierspanning en houding kunnen dus deel uitmaken van een traumapatroon, zonder dat spieren of fascia daarom een afzonderlijke opslagplaats van herinneringen zijn.
Deze ruimere beschrijving sluit aan bij de manier waarop Peter Levine trauma benadert. Hij beschrijft het als een ontregeling waarbij beschermingsreacties zoals vechten, vluchten of bevriezen hun beweeglijkheid hebben verloren en blijven terugkeren lang nadat de oorspronkelijke situatie voorbij is. Trauma is vanuit die invalshoek niet simpelweg de gebeurtenis zelf, maar de manier waarop het hele organisme zich nadien rond die gebeurtenis organiseert. Dat kan zichtbaar worden in lichamelijke spanning, schrikreacties, vermijding, herinneringen, emoties, overtuigingen, aandacht en gedrag.
Verandering kan daarom vanuit verschillende richtingen ontstaan. Wanneer lichamelijke beschermingspatronen, zoals langdurig opgebouwde spanning, losser of beweeglijker worden, kan dat ook invloed hebben op gedachten, emoties en gedrag. Omgekeerd kan een ander perspectief, een nieuwe betekenis of een veilige relationele ervaring lichamelijke spanning en automatische reacties veranderen. Het ene systeem stuurt het andere dus niet van buitenaf aan. Het hele organisme organiseert zich opnieuw en vindt een nieuw evenwicht wanneer vastgelopen aspecten opnieuw beweeglijker worden.
Toch wordt aan het idee dat trauma psychobiologisch doorwerkt vaak een tweede populaire uitspraak verbonden: “Gesprekstherapie werkt niet bij trauma; je moet via het lichaam werken.” Alsof denken en voelen concurrerende systemen zijn die los van elkaar behandeld kunnen worden. Ergens is die reactie begrijpelijk. In veel klassieke gesprekstherapeutische en psychoanalytische benaderingen kreeg de directe lichamelijke ervaring minder aandacht dan betekenis, herinnering en interpretatie. Maar wanneer we daaruit besluiten dat praten niet helpt en alleen lichaamsgericht werken werkelijk iets verandert, vervallen we opnieuw in dezelfde zwart-witredenering die we net proberen te corrigeren.
Wat wél waar is, is dat sommige mensen zich vanzelf aangetrokken voelen tot yoga, ademwerk, meditatie of andere lichaamsgerichte vormen, terwijl anderen daar net een natuurlijke afkeer van voelen en liever via een analytisch gesprek werken. Dat verschil zegt niet dat de ene benadering beter is dan de andere, maar vooral dat de ene mens de andere niet is. Dat iemand zelf veel heeft gehad aan yoga, ademwerk of lichaamsgericht traumawerk, betekent dus niet dat dit dé juiste manier is om spanning of traumatische reacties losser te maken. Het is één mogelijke ingang.
Voor iemand anders kan praten over herinneringen, betekenissen, overtuigingen en relaties precies de beweging creëren die nodig is. Het doel is uiteindelijk niet om per se via het lichaam of per se via het denken te werken, maar om vastgelopen reacties opnieuw beweeglijker te maken. Soms gebeurt dat via beweging of ademhaling, soms via woorden, soms via de relatie met een therapeut, en vaak via een combinatie van verschillende wegen.
Wanneer we lichaam en gesprek zo tegenover elkaar blijven zetten, dreigen we vooral van het ene uiterste naar het andere te bewegen. Misschien luidt de volgende slogan over enkele decennia wel dat trauma een vastgelopen denkpatroon is. Dan hebben we weinig geleerd. De vraag is uiteindelijk niet waar het trauma “zit” of welk deel van de mens behandeld moet worden, maar waar in het hele organisme opnieuw beweging mogelijk wordt.